DEEL XLVIII: De Phantasmagorie // Walter Benjamin // Passagenwerk

De animaties, films en videospelletjes van de 20ste en 21ste eeuw stammen in zekere zin af van een uitvinding die Johann Georg Schröpfer, ober bij een vrijmetselaarsloge in Leipzig, omstreeks 1768 deed en die wij tegenwoordig kennen onder de naam Phantasmagoria. Alhoewel alles wat Schröpfer tot zijn dertigste deed in nevelen is gehuld, weten we dat hij in dat jaar, gefascineerd door het vrijmetselaarsritueel, een afscheiding van de Leipziger loge organiseert en het voormalig Weißleder koffiehuis koopt dat op de hoek van de Klostergasse en de Barfußgäßchen, waar zich tegenwoordig een Subway bevindt, was gelegen.

Met grote zorgvuldigheid en ingenieuze ingrepen verbouwt hij het koffiehuis om het geschikt te maken voor seances waarin de doden, voor de ogen van zijn volgelingen, als het ware weer tot leven worden gewekt. Door het installeren van in de muur verdekte projectieschermen waar vanuit een verborgen ruimte geestesverschijningen door beschilderde lenzen op worden geprojecteerd, door het verbergen van acteurs in de coulissen die tegen de muren bonken en grimmige kreten slaken, door het toevoegen van rookeffecten en het aantrekken van eersteklas buiksprekers en niet ten minste door het toedienen van bepaalde, met hallucinogene stoffen bereidde gerechten weet hij steeds groter wordende groepen te overtuigen van zijn macht over de geesteswereld, hetgeen hem een zeker aanzien oplevert in Leipzig en omstreken.

phantasmagoriaphantasmagoriagaspard

Alhoewel de oorspronkelijke Leipziger loge algauw rechtszaken tegen Schröpfer aanspant weet hij de leden van de rechtbank te overtuigen geheime contracten te ondertekenen die hen ertoe verplichten in zijn loge te verschijnen in ruil voor toekomstige uitbetalingen van grote rijkdommen die Schröpfer naar verluidt bij een bank in Frankfurt an Main had gestald. Uiteindelijk blijkt echter dat de steeds maar uitgestelde opening van de schatkist waaruit hij de betalingen zal gaan voldoen argwaan wekt waardoor de druk op Schröpfer toeneemt en hij op 8 oktober 1774, na een lange nacht werken met zijn volgelingen in de loge, vier goede vrienden uitnodigt voor een wandeling in de bossen waarbij hij hen ‘iets wat ze nog nooit hebben gezien’ in het vooruitzicht stelt. En inderdaad, halverwege de wandeling neemt Schröpfer enige afstand van de groep, roept dat hij zichzelf weer tot leven zal wekken, haalt diep adem en jaagt een kogel rechtstreeks door het hart. Als men later de schatkist in Frankfurt opent blijken zich daarin slechts aarde en bakstenen te bevinden, hetgeen naar waarschijnlijkheid de verklaring vormt voor de plotselinge zelfmoord van Johan Georg Schröpfer.

De navolging en het grote succes van de Phantasmagoria laat nog enkele jaren op zich wachten maar toch zijn hier al de eerste tekenen zichtbaar van een technologie die later de basis vormt van de films en animaties van de 20ste eeuw. Reeds in de projecties die in de installatie van Schröpfer als het ware uit het niets op de muren verschijnen vinden we de principes van de zoom, de fade-out, de dolly en beelden die in verschillende lagen over elkaar worden gemonteerd, alhoewel het geheel nog niet bezield is door de ontdekking dat het menselijke oog per seconde vierentwintig beelden waarneemt. Wel is er in de Phantasmagoria voor het eerst sprake van een wisselwerking tussen gefabriceerde, bewegende beelden in de buitenwereld en innerlijke gewaarwordingen in de toeschouwer waarbij de beelden ook voor andere aanwezigen waarneembaar zijn en dus voor echt moeten doorgaan. Hiermee zijn we in zekere zin bij de wortel beland van wat in gangbare termen ‘mediamanipulatie’ heet.

De Tweede generatie Phantasmagorische kunstenaars bouwt voort op het spektakel van Schröpfer en zijn technologie. Hierbij nemen sommigen zijn laatste woorden “Ik zal mijzelf tot leven wekken” als uitgangspunt en creëren griezelige spektakels waarin Schröpfer zich als het ware op ieder moment weer zou kunnen tonen. De meest bekende Phantasmagorische kunstenaar is de wetenschapper, magiër en ballonvaarder Etienne Gaspard Robert die in de jaren ’90 van de 18e eeuw een zekere faam opbouwt met zijn spektakels in het verlaten Kapucijner convent in Parijs, dat naast de Place Vendôme was gelegen. In het post-revolutionare Frankrijk biedt hij een ongezien schouwspel aan waarbij het publiek in het geprepareerde convent de meest gruwelijke schrikervaringen meemaakt in een hermetisch afgesloten ruimte die ook nog eens volledig wordt verduisterd. Zijn spektakels, waarin hij vermoorde revolutionairen als Marat en Voltaire maar bijvoorbeeld ook Vergilius en Jean Jacques Rousseau tot leven brengt door hun beeltenis op rookwolken te projecteren die met zwavelzuur en aqua fortis zijn opgewekt, winnen al snel aan populariteit totdat Gaspard-Robert in verlegenheid wordt gebracht met het verzoek om Louis XVI weer tot leven te brengen, hetgeen hij met een beleefd smoesje weet te weigeren. Dit weerhoudt de Franse politie er niet van om hem de volgende dag op te pakken aangezien de mogelijkheid dat hij ook Louis de XVI tot leven zou kúnnen wekken daar al genoeg aanleiding voor geeft.

phantasmagoria

“Een jonge man” zo lezen we tijdens een van de beschrijvingen van deze seances “verzocht om het spook van een vrouw te zien van wie hij had gehouden. Hij toonde Robert een afbeelding van haar en deze gooide spreeuwenveren, fosfor en 12 vlinders op het vuur. Een prachtige vrouw, met naakte borsten verscheen en glimlachte teder. De jonge man riep spoedig uit: ‘Mijn hemel, mijn vrouw is terug tot leven gekomen!’ en rende de kamer uit, daar hij de verschijning, waar hij zelf om had verzocht, toch vreesde.”

Deze paradoxale uitwerking waarbij het zozeer verlangde in feite angst oproept en het gevreesde in zeker zin toch wordt verlangd, is kenmerkend voor de Phantasmagoria en ook in de dagboeken van Robert zelf vinden we deze wisselwerking terug:  “Wie heeft er niet in zijn jongere jaren geloofd in de duivel en weerwolven?”  zo lezen we in zijn notities ” Ik geloofde in de duivel, in betovering, helse pacten en zelfs in de bezems van heksen. Ik dacht dat een oude vrouw, mijn buurvrouw, zoals iedereen me verzekerde, geregeld in contact stond met Lucifer. Ik was jaloers op zijn macht en zijn relaties. Ik sloot mezelf op in een kamer en sneed de nek van een haan door waarna ik de Prins der Duisternis beval om zichzelf aan mij te tonen. Ik molesteerde, beledigde en bespotte hem omdat hij zich niet toonde: ‘Als je bestaat’ schreeuwde ik, terwijl ik op de tafel sloeg, ‘kom te voorschijn en toon je hoorns, of ik zal je bestaan ontkennen.’ Het was geen angst die me in zijn macht deed geloven, maar een verlangen om deze macht te delen en ook de magische effecten te beheersen.”

De Phantasmagoria ontwikkelt zich via de Praxinoscope, het Theatre Optique, het panorama en de diorama, en in zekere ook de spektakels van Wagner in Bayreuth, met enige vertraging tot de animaties van de 20ste eeuw. In dezelfde tijd dat Mickey Mouse tot wasdom komt krijgt het woord  ‘Phantasmagoria’ een belangrijke rol in het Passagenwerk dat Walter Benjamin aan het schrijven is en dat ook wel bekend staat als het Arcadeproject. Naar wij moeten aannemen is dit werk nooit geheel voltooid vanwege een bureaucratische belemmering op de grens tussen Frankrijk en Spanje die de licht suïcidale Joodse schrijver op zijn vlucht voor de Nazi’s ook werkelijk tot zelfmoord bracht in September 1940.

Het project waar Benjamin vanaf 1927 met onderbrekingen aan werkte en dat, zelfs in onafgemaakte vorm, tot zijn magnum opus moet worden gerekend, wordt uiteindelijk pas na de oorlog uitgegeven als de manuscripten die vakkundig door Bataille in de Bibliotheque National voor de nazi’s werden verborgen, opduiken en door onder meer Adorno en Tielemann tot een uitgeefbaar boek worden geredigeerd. Uiteindelijk lezen we in het Passagenwerk behalve een aantal hoge verwachtingen wekkende Exposés toch vooral een verzameling van intrigerende citaten, die over het algemeen betrekking hebben op de 19de eeuw en het burgerlijke project in Parijs.

Belangrijke onderwerpen in het meer dan duizend pagina’s tellende werk zijn de in het begin van de 19e eeuw overal in Parijs opduikende Gallerijen // Arcades // Passagen

arcades-project1

die de huizenblokken als het ware in tweeën splijten om ruimte te bieden aan het aanstormende consumptieproduct, de ontwikkeling van Baudelaire als belichaming van de zich aandienende moderniteit en de verregaande Hausmannisatie van Parijs waarbij enorm brede boulevards door de hele stad werden aangelegd. Hierover blijkt in het Passagenwerk dat alhoewel het voornaamste argument voor de brede boulevards zeer sterk was, namelijk dat dit het bouwen van barricades, waarvan er zich in die jaren gemiddeld 6000 door hele stad verspreid bevonden, zou bemoeilijken, ook het tegenargument niet zonder kracht was, namelijk dat barricades enkel gebouwd kunnen worden door grote groepen mannen bijeen te brengen zoals die bijvoorbeeld vereist zijn voor het verbreden van de boulevards. Zolang de uitkomst onbekend is lijken beide argumenten valide en hieruit blijkt maar weer hoe fragiel de basis is van ieder streven en iedere zogeheten mislukking of succes, want ook de brede boulevards van Haussmann werden uiteindelijk gebarricadeerd, zij het niet door de werkers die ze hadden aangelegd.

Het woord Phantasmagoria komt in het gehele Passagenwerk wel 115 keer voor al wordt nergens vermeld wat het precies inhoudt. Naast de phantasmagoria van de geschiedenis, de phantasmagoria van het innerlijke, de phantasmagoria van de maatschappij en de phantasmagoria van de arcade vinden we ook de phantasmagoria van de marktplaats, de beschaving, de flaneur, het geluk, de mode, de ruimte, de tijd, de moderniteit en de phantasmagoria van wat altijd hetzelfde is terug. Het woord komt verder veelvuldig los voor en er is bijvoorbeeld ook sprake van de ‘haussmanisatie die de phantasmagoria in steen beitelt’,  ‘de menigte die van de stad een phantasmagoria maakt’, ‘het hele kapitalistische productieproces als phantasmagoria’, ‘de magische beelden van de eeuw oftewel; phantasmagoria’, ‘wereldtentoonstellingen die phantasmagoria’s aanbieden als afleiding’,  ‘traditie met het karakter van een phantasmagoria’ en de cultuur die als de hoogste ontwikkeling van het phantasmagoria mag gelden.

Wat phantasmagoria nu precies is kan uit het Passagenwerk dus niet geheel worden gedestilleerd en het is de vraag  of we dit moeten zien als Benjamin’s mystieke marxisme waarbij de betekenis van de woorden bewust vaag wordt gehouden of dat we ervan uit moeten gaan dat Benjamin’s lezers een vrij duidelijke notie van phantasmagoria hadden zoals ze dat ook hadden van de teatrophone en de fumeuse en zoals de huidige lezers dat hebben van de stille film, of de telegraaf, al zijn ook die inmiddels uit het dagelijks leven verdwenen. In een brief van 8 augustus 1939 schrijft Benjamin vanuit Parijs aan Adorno, die een proefversie van het Passagenwerk onder ogen had gekregen, dat het zijn streven was geweest “de Cultuur van de Warenproducerende maatschappij als een Phantasmagoria in het middelpunt te stellen.” In een verdere uiteenzetting van zijn plannen geeft hij voor deel twee van het Passagenwerk de volgende inhoudsopgave: ‘De motieven van de Galerij, Noctambulisme, de Feuilletons en een theoretische introductie in het begrip van de Phantasmagoria.’

Maar een maand na het schrijven van deze brief, bevindt Benjamin zich al in het zogeheten “Kamp van vrijwillige Arbeiders” in Nevers daar hij, zoals bijna alle immigranten uit Duitsland, een verklaring had ondertekend waarmee hij zich onderwierp aan de militaire macht die, na de oorlogsverklaring aan de Duitsers, vluchtelingen uit dat land onder meer in een leegstaand kasteel in Nevers samenbracht, misschien om te voorkomen dat zij een vijfde colonne zouden vormen of wellicht vanwege een andere militaire redenen die nu niet goed meer te achterhalen is.’Iedereen tot 48 jaar wordt gemobiliseerd’ schreef Benjamin hierover, ‘ik ben 47.’

De mars op weg naar het afgelegen kasteel is al voldoende om de filosoof volledig uit te putten en het is deze uitputting die ervoor zorgt dat de artsen in het kamp hem bij aankomst op non-actief stellen, al is geheel onduidelijk wat ‘actief’ in dit verband had ingehouden. Als ze aankomen in het Kasteel van Vernuche vinden ze slechts lege ruimtes en goed geboende vloeren waarop de circa driehonderd mannen en vrouwen zich algauw te slapen leggen daar het stro pas enkele dagen later arriveert. In de daaropvolgende weken verblijft Walter Benjamin in een ruimte onder de trap die hij met een doek weet af te sluiten van de rest van het kasteel en waar hij verschillende brieven schrijft waarin onder meer staat vermeld dat er dagen zijn waarop de filosoof niet van onder de trap vandaan komt omdat de daarvoor vereiste bewegingen te pijnlijk voor hem zouden zijn. In deze omstandigheden vindt Walter Benjamin niet de moed noch de kracht om te lezen of aan het Passagenwerk te schrijven zodat de introductie in de Phantasmagoria waaraan hij in deze periode mogelijk had kunnen beginnen helaas niet tot stand is gekomen.

chateau vernuche

Het is niet uitgesloten dat in een samenleving als de huidige, waarin iedereen voortdurend omringt is door apparaten die beelden uitzenden, waarin men veelvuldig andere werelden raadpleegt dan die waarin men zich op dat moment bevindt, waarin mensen voortdurend aangetrokken worden en beangstigd door beelden die geen werkelijke substantie hebben alhoewel ze voor echt doorgaan, dat in een dergelijke wereld het van essentieel belang zou kunnen zijn om te achterhalen welke betekenis Walter Benjamin voor het woord phantasmagoria in gedachten had.  Wanneer we de etymologie te hulp roepen komen we bij het oud-grieks uit waarbij de Phantasma agorein duidt op het het ‘openlijk spreken van de geesten’. Maar dit is duidelijk niet de enige betekenis waarin Benjamin het gebruikt.  ‘De Phantasmagoria’ zo schrijft hij ‘is dus niet alleen het valse bewustzijn van het ideologische discours, het is gematerialiseerd in de ruimte, de objecten en de praktijken. Het te verinnerlijken door het in een ontlichaamd domein van de ideeën te plaatsen is dus in zichzelf een phantasmagorische operatie.’

Benjamin lijkt te wijzen op de gefabriceerde aard van de werkelijkheid die zich volgens hem in de loop van de 19e eeuw steeds meer is gaan centreren rond de aanschaf en het gebruik van producten. Hij wijst er telkens op dat alhoewel het er op lijkt dat mensen deze producten nodig hebben, de nood van het productieapparaat aan mensen veel groter is zoals misschien ook wel blijkt uit de uitverkoop die in de meeste winkelstraten en op websites bij voortduring wordt gecultiveerd. In het Passagenwerk toont Benjamin fijntjes aan dat wat er in de prijs van een product tot uiting komt niet zozeer de waarde van het ding zelf is maar de sociale relatie tussen de mensen onderling. ‘De grondstof, en de waarderelaties van het bewerkte resultaat, hebben helemaal geen verbintenis met de fysieke natuur van het product en de materiële relatie die hieruit ontstaat. Het is niets anders dan de definitieve sociale relatie tussen de mensen zelf die hier, voor hun, de phantasmagorische vorm aanneemt van een relatie tussen de dingen.’

Misschien wijst Benjamin hier op iets dat 75  jaar later al zodanig gemeengoed is geworden dat we het voor het gemak vergeten zijn of misschien is er een andere reden waardoor dit idee nauwelijks of geen rol speelt in onze dagelijkse overwegingen, zodat ook het phantasmagorische apparatus van deze tijd geolied en onzichtbaar de dagelijkse gang der dingen kan bepalen. Dit is bijvoorbeeld goed te zien in de plaatselijke koffieketens die zich in de afgelopen jaren werkelijk als een soort van virus hebben verspreid en waar de mensen, soms uren aan een stuk, gehypnotiseerd worden door hun (phantasmagorische) apparaten terwijl zij koffie drinken voor een prijs die inderdaad weinig van doen heeft met de gemaakte kosten voor het product of de inherente waarde ervan. Deze massahypnose zou, voor wie er niet langzaam aan gewend is geraakt, een zeer angstaanjagende uitwerking hebben, maar het feit wil dat mensen er in het algemeen langzaam aan wennen.

De citaten die Benjamin bijeenbracht hadden misschien tot een hechtere synthese moeten leiden en het is niet goed mogelijk aan al zijn observaties een eenduidige conclusie te verbinden. Toch is het wellicht de moeite waard om bij wijze van synthese, de aandacht op een klein, makkelijk te missen citaat uit het Passagenwerk te richten waarin staat geschreven hoe in de aanloop van de Franse Revolutie op de Cour du Commerce in Parijs, gebruikmakend van schapen, de eerste experimenten met de Guillotine werden uitgevoerd die zouden leiden tot de humane onthoofdingen van het revolutionaire Frankrijk en tot en met 1977 met betrekkelijk weinig innovaties werden uitgevoerd.

De laatste dagen van Walter Benjamin zijn maar gedeeltelijk te reconstrueren. We weten dat een van de grote denkers van de 20ste eeuw in Banyuls-sur-Mer is aangekomen met een zware koffer en dat hij met een groep op verkenningstocht ging om de illegale route in kaart te brengen die veilig over de grens met Spanje zou leiden. We weten dat de 48-jarige Benjamin slecht van gezondheid was en dat toen zijn medereizigers teruggingen, nadat zij in hun vermoedens van een veilige doortocht waren bevestigd, hij besloot om de nacht in het open veld door te brengen omdat hij de route geen twee keer wilde afleggen. We weten niet of er die nacht gedachtes en angsten door zijn hoofd raasden, of hij geplaagd werd door muggen en geluiden, of dat de slaap hem overviel, maar wel weten we dat hij de volgende dag, nadat de groep zich weer bij hem had gevoegd, steeds tien minuten wandelde waarna hij telkens één minuut bleef rusten vanwege zijn hartproblemen en dat toen hem werd aanbevolen om de koffer achter te laten hij gezegd schijnt te hebben heeft dat deze koffer belangrijker was dan hemzelf. Uit de getuigenis van Lisa Fittko, die de tocht begeleidde, weten we dat Benjamin zeer voorkomend en beleefd was en haar maar bleef aanspreken met ‘Gnädige Frau’, hetgeen midden in de Pyreneeën een nogal absurde uitwerking had, dat ze met hem een gesprek over tomaten heeft gevoerd en over de andere gewassen die in die regio groeiden en dat nergens uit bleek in hoeverre Walter Benjamin zijn lot als tragisch ervoer.

We weten dat de groep succesvol in Port Bou is aangekomen waar de plaatselijk douaniers hen vertelden dat de grens gesloten was voor vluchtelingen en dat zij de volgende dag zouden worden teruggestuurd. De dag voordat Benjamin aankwam was de grens gewoon open, en de dag erna naar verluidt ook maar op die bewuste dag was er besloten de grens dicht te houden omdat tegenstrijdige bevelen beslissingen voor de douaniers onmogelijk maakten. We weten dat het nieuws op de vermoeide Benjamin een verwoestende uitwerking had en dat hij in kamer vier van Hotel Francia naar de morfinepillen heeft gegrepen die voldoende waren om een paard te kunnen doden.

Zijn uitspraak dat de inhoud van de koffer belangrijker was dan hemzelf heeft velen doen speculeren over deze inhoud. Er zijn onbevestigde vermoedens dat hij een verder gevorderde versie van het Passagenwerk bij zich zou dragen die door douaniers of anderen is ontvreemd danwel vernietigd. Er circuleert een andere theorie die beweert dat Benjamin door Sovjet-agenten, die in die periode met de Nazi’s in Zuid-Frankrijk samenwerkten, vermoord zou zijn daar hij enkele maanden daarvoor zijn ‘Thesis over de Filosofie van de Geschiedenis’ had gepubliceerd waarin het falen van het Marxisme inzichtelijker was gemaakt dan ooit tevoren. De charme van deze theorie is naast het politieke belang dat aan het publiceren van filosofische teksten wordt gehecht ongetwijfeld dat zij niet of maar moeilijk te verifiëren danwel te verwerpen is. Ook in deze theorie wordt het mysterie van het verdwenen manuscript niet dekkend verklaard waardoor we op dit moment moeten aannemen wat in het officiële politierapport staat vermeld dat in aanwezigheid van de plaatselijke rechter is opgesteld. Namelijk dat de koffer die Walter Benjamin over de Pyreneeën heeft gedragen bij opening de volgende objecten bevatte: Een gouden horloge met een nikkelen ketting, een pijp, een paspoort dat in Marseille was uitgegeven door het Amerikaanse Consulaat en dat door het Spaanse Consulaat was goedgekeurd voor de doortocht naar Portugal, zes paspoortfoto’s, een bril, een röntgenfoto van zijn zwakke hart, verschillende tijdschriften, een aantal brieven, papieren; waarvan de inhoud onbekend, een briefje van 500 franc, van 50 dollar en van twintig dollar, waarvan de medische-, juridische- en begrafeniskosten bijna precies konden worden voldaan.

 

ADDENDUM: tijdens het schrijven van dit lemma verbleef ik gedeeltelijk in Berlijn, alwaar ik in de Archieven van Walter Benjamin enkele dingen trachtte op te helderen die op andere manieren niet opgehelderd konden worden. Wandelende over de Karl Marx Strasse stuitte ik op de PASSAGE KINO waarbij mij vooral het uitzendbureau dat zich aan de straatzijde bevindt erg tekenend leek voor de het idee van de Passage zoals ik dat bij Benjamin had aangetroffen, bijna net zo tekenend als wat ik de volgende dag meemaakte, namelijk het zonder al te veel weerstand naar binnen worden gezogen in de zogeheten Sony Centre aan het Potzdammerplatz waarin mij eigenlijk alles Passage en in zekere zin ook Phantasmagoria leek te zijn. 

_MG_7826

_MG_7831

IMG_7747

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s