DEEL XXVII: HET VOORDEEL VAN DE DEMOCRATIE // de telefoontjes van Joseph Stalin

Het voordeel van de democratie, zo wordt weleens gezegd, is waarschijnlijk enkel dat het zijn leiders over het algemeen niet genoeg tijd geeft om hun volledige waanzin te doorleven. Het bewijs hiervoor blijkt dan steeds doordat in dictatoriale situaties de waanzin van leiders inderdaad het beste tot zijn recht komt. Of het nu Caligula is die zijn soldaten beval hun pijlen op de zee te richten en schelpen als oorlogsbuit mee te nemen, Kim Jong Il die, vanwege zijn angst voor injectienaalden, vijf vertrouwelingen tegelijkertijd met zichzelf liet injecteren ook al had geen van hen lichamelijke klachten, Nyazov van Turkmenistan die de maand Januari, een pretpark en een meteoriet naar zichzelf vernoemde en een gigantisch meer liet aanleggen in de Turkmenistaanse woestijn, de hanglidervlucht die Vladimir Poetin onlangs nog met bedreigde kraanvogels uitvoerde, of in een andere setting de vergadering van Facebook waar Mark Zuckerberg, zoals wij weten, het gebruik van het woord privacy verbood, dit alles kan gezien worden als de uitvloeiselen van jarenlang voortdurende machtsposities die aan het absolute grenzen en die de bezitters van deze posities gaandeweg, in een proces dat meestal jaren in beslag neemt, ‘voorbij de geest’ brengt, zoals de oorspronkelijke betekenis van het woord paranoia al aangeeft. Maar de meest obscure, meest indringende en meest verbijsterende vorm van leiderschapswaanzin vinden we waarschijnlijk terug in de telefoontjes die Joseph Stalin met zijn schrijvers pleegde ten tijde van de Grote Terreur in de jaren Dertig van de vorige eeuw.

Joseph Stalin, Georgiër van afkomst, was in eerste instantie slechts als secretaris aan het Communistische project van Rusland verbonden. Terwijl iedereen in die periode naar Trotski kijkt blijkt hij het die, na het overlijden van Lenin, uit de schaduw stapt en het leiderschap van de Communistische Partij naar zich toetrekt door de functie van secretaris steeds belangrijker te maken. In samenspraak met Aleksandr Beloborodov, de leider van de GPOE ontwikkelt hij spoedig een reeks intimidatie technieken en een infrastructuur aan werkkampen die uiteindelijk escaleren in de grote zuiveringen van het jaar 1937-38 waarin een ongekend aantal dichters, kunstenaars en partijleden afgevoerd wordt en meestal ook vermoord. Een van de overblijfselen van dit beleid is ook vandaag nog te bewonderen in Moskou, waar het Huis aan de Oever, zoals wordt gezegd, meer uitgangen dan ingangen telt. In dit gigantische gebouw waar zich een hele stad in lijkt te bevinden, waarin onder meer een theater, een supermarkt, een zwembad en allerlei andere voorzieningen werden gebouwd, huisde ook, in Appartementsblok 11, een divisie van de geheime dienst die het gehele gebouw met zijn 2100 bewoners afluisterde en op alle andere mogelijke manieren in de gaten hield. Vanuit dit appartementsblok liepen verborgen gangen die toegang gaven tot alle gedeeltes van het gebouw, zodat het, wanneer het besluit tot verdwijning eenmaal was genomen, betrekkelijk eenvoudig was om het doelwit ongezien mee te nemen in de nacht en het voor veel van de bewoners een gewoonte werd om, meestal tevergeefs, met een pistool onder het kussen te slapen. Wie dus werd uitgenodigd om in het Huis aan de Oever te komen wonen was enerzijds verheugd vanwege het vooruitzicht van de luxe en omdat hij zich nu dicht bij de hoogste Sovjetmacht zou gaan bevinden maar anderzijds bedrukt daar hij zich besefte welke consequenties deze verhuizing, die eigenlijk niet geweigerd kon worden, zou kunnen hebben. Het is ook in dit gebouw niet duidelijk te herleiden wat er eerder kwam, het verlangen om op grote schaal mensen te kunnen doen verdwijnen, of het gebouw dat dit geruisloos faciliteerde. Zeker is dat een gemakkelijke verdwijnings methode door Joseph Stalin gewenst was en dat het ontwerp van het gebouw hierop moest worden afgestemd, maar of Stalin het intense gebruik van deze functie en de enorme hoeveelheid verdwijningen die de late jaren Dertig in Moskou zouden karakteriseren al voor zich zag toen hij de opdracht gaf het Huis aan de Oever te bouwen blijft, waarschijnlijk voor altijd, in het ongewisse hetgeen bij uitstek eigen is aan de mysterieuze dynamiek van de leiderschapsparanoia.

De uit de Oekraïne afkomstige dokter Michael Afanasjevitsj, die in 1921 naar Moskou verhuisde om zich daar aan de literatuur en het toneel te wijden, heeft deze periode opmerkelijk ongeschonden doorstaan. Alhoewel hij, anders dan veel van zijn collega’s, resoluut weigerde om communistische stukken te schrijven en wanhopig streed tegen de in Parijs circulerende versies van zijn werken waarin ‘opeens de woorden Stalin en Lenin waren opgenomen’ en waarvoor onbekende Sovjetagenten de hoge auteursrechten incasseerden, heeft hij persoonlijk nooit enige celstraf, enige boete of enige verbanning moeten lijden en is de enige werkelijke straf die hem door het regime werd opgelegd een levenslang gevecht met de censuur geweest.

Michael Afanasjevitsj, die slechts het succes van een van zijn werken mocht meemaken, blijft desondanks zijn hele leven schrijven. Behalve ‘de Witte Garde’ (de roman die Stalin in de toneelbewerking wel vijftien keer zal zien voordat het werk in 1929 weer wordt verboden) schrijft hij 14 toneelstukken, twee romans, en vinden we in de archieven die in de jaren ‘90 door de KGB werden vrijgegeven, en die inmiddels naar het lijkt weer meer en meer worden gesloten, ook een aantal brieven die persoonlijk aan Joseph Stalin zijn gericht. Op een associatieve manier en zonder al te veel protocol spreekt hij de leider direct aan. Hij schetst de voortdurende strijd die hij met de censuur moet voeren om zijn werken te kunnen publiceren en waarvan Vadertje Stalin naar zijn mening niet voldoende op de hoogte is. Hij uit openlijk het verlangen om, wie weet op een goede dag, een nieuw paar sokken voor zijn vrouw te kunnen kopen en biecht de leider van Communistisch Rusland tevens op dat hij gedurende de koude winter zijwaarts door de straten van de hoofdstad gaat omdat, op een of andere mysterieuze wijze, de ene kant van zijn jas meer kou doorlaat dan de andere. In iedere brief verzoekt hij Stalin’s toestemming om naar het buitenland te mogen vertrekken aangezien zijn werken in Rusland toch nergens worden gepubliceerd of, als dat niet mogelijk is, dat hij toch op zijn minst ergens een baantje krijgt aangeboden om de nakende hongerdood van hemzelf en zijn vrouw te kunnen vermijden. Verder vinden we in deze archieven ook zijn dagboeken terug die in de jaren ‘20 in beslag werden genomen door de GPOE en die Michael Afananasjevitsj als hij ze terugkrijgt onmiddellijk verbrandt, zonder te weten dat de geheime dienst, zoals het hen betaamt, van alles dat binnenkwam nette kopieën liet maken. Ook deze dagboeken duiken dus een halve eeuw na zijn overlijden op waarin we onder andere een deze opmerking van Afanasjevitsj vinden. ‘De kachel is mijn trouwste uitgever daar hij zonder langdurige onderhandelingen al mijn teksten, romans en aantekeningen, maar bijvoorbeeld ook stomerij-rekeningen, welwillend accepteert.’

De  voortdurende dialoog die Afanasjevitsj met de censuur commissie ‘Het Opperste Repertoire Comite’ moet voeren leest als een gesprek tussen een briljante geest met een ontstellend aantal aspirant toneelregisseurs die, behalve dat ze hun artistieke roeping hebben gemist en door een ongelukkige omstandigheid voor het Staatsapparaat zijn komen te werken, tevens beschikken over de absolute macht met betrekking tot toekomstige publicatie. Kan Michael Afanasjevitsj in de Witte Garde de scene waarin de jood gemarteld wordt misschien schrappen en daarnaast laten zien hoe de jonge Nikolka opschuift richting de bolsjewistische opvattingen zodat het stuk kan eindigen met de aanzwellende Internationale? Is het misschien mogelijk om het provocerende gebruik van het woord ‘Wit’ in de titel ‘de Witte Garde’ te vermijden door te kiezen voor ‘De dagen van de Toerbins’? Kan Afanasjevitsj aan ‘Vlucht’ niet twee scenes toevoegen waarin de inwendige sociale bronnen van de burgeroorlog naar voren komen zodat de toeschouwer kan begrijpen dat de hoofdpersonen ‘eerbiedwaardig en op hun eigen manier, Rusland uit gegooid werden, niet door een gril van de bolsjewieken, maar omdat zij op kosten van het volk leefden?’

Aan suggesties vanuit het Opperste Repertoire Comité heeft Michael Afanasjevitsj, in tegenstelling tot bijna al het andere, geen gebrek. Maar ze getuigen allemaal van een dermate slechte smaak en een dermate letterlijke opvatting van de wereld dat ze volgens Afanasjevitsj nergens nagevolgd kunnen worden met uitzondering van een of twee details die met de algehele strekking van zijn werk niet al te veel conflicteren, al brengen ook deze toegevingen nooit werkelijk de zo gewenste publicaties tot stand. Te midden van deze dynamiek leeft de schrijver, berooid en naarmate de jaren verstrijken steeds wanhopiger, door. In Jelena Sergejevna vindt hij zijn levenspartner en blijft, steeds meer tegen beter weten in, proberen gepubliceerd te worden.

En dan, op een goede dag in 1930, zoals hij in zijn dagboeken schrijft, gaat de telefoon en wordt hem zonder toelichting gevraagd om even aan de lijn te blijven. Na enige minuten klinkt de stem van Joseph Stalin die, zonder introductie, de vraag stelt of Michael Afanasjevitsj inderdaad, zoals hij uit diens brieven heeft vernomen, graag naar het buitenland zou vertrekken. De schok of iets anders, moet er de oorzaak van zijn geweest dat Afanasjevitsj, in tegenstelling tot wat hij volgens zichzelf al jaren hoopt, tegen de leider van Communistisch Rusland verklaart dat hij ‘lang heeft nagedacht over de vraag of een Russische schrijver buiten Rusland kan overleven’ en dat zijn antwoord daarin bestaat ‘dat dit onmogelijk is.’ De woorden hebben op Stalin het wel of niet gewenste effect dat hij een positie voor Afanasjevitsj bij het Moskouse Kunsttheater bemiddelt alwaar zijn samenwerking met Stanislavski en Nemirovits-Danchenko eigenlijk nauwelijks tot publicaties en producties leidt, maar de Oekraïense schrijver wel enige tijd weet te behoeden voor het ernstigste gebrek. Jaren later, als Afanasjevitsj door allerlei onfortuinlijke wendingen wederom berooid op het telefoontje terugblikt uit hij, verontwaardigd door de voortdurende stilte rond zijn werk en niet geheel van paranoia ontdaan, het vermoeden dat het telefoontje van Stalin buiten zijn eigen verbeelding nooit werkelijk heeft plaats gehad, waarmee hij wellicht de aanleiding vindt voor het werk waaraan hij tot zijn dood zal schrijven en dat pas 26 jaar na zijn overlijden verschijnt dankzij de voortdurende en ontroerende inspanningen van zijn weduwe Jelena Sergejevna.

Maar Michael Afanasjevitsj was niet de enige Russische schrijver die Stalin aan de telefoon te spreken kreeg. Ook Boris Pasternak kreeg vier jaar later tot zijn eigen consternatie de grote leider aan de lijn met de vraag of hij enigszins wilde uitweiden over hoe er in zijn kringen gereageerd werd op het verdwijnen van de dichter Ossip Mandelstam die het gedurfd had in een gedicht Joseph Stalin ‘de Kremlinbewoner uit de bergen, de wurger en boerendoder’ te noemen. Pasternak, die dit gedicht uit de mond van zijn goede vriend Ossip zelf vernomen had, waarna hij hem dringend verzekerde dat hij het niet had gehoord, antwoordde, een beetje laf misschien, dat er van kringen in feite al geen sprake meer was, dat de verschillende schrijvers ofwel gestopt waren met schrijven, of zich reeds in de kampen bevonden die daarvoor waren bedoeld en dat Ossip Mandelstam en hijzelf in alle gevallen zéér verschillende opvattingen over de literatuur voorstonden. Op alle mogelijke manieren, zo stel ik me voor, trachtte hij zijn angst te verbergen, terwijl Stalin aan de andere kant van de lijn geen enkel woord uitte en door zijn zwijgen de dichter tot een radeloze woordenstroom zonder einde bracht, die hij uiteindelijk afbrak met de woorden: “Ik zie het al, je durft niet voor je kameraad op te komen.” waarna hij de verbinding verbrak.

Een week lang, zo luidt het verhaal, probeerde de totaal ontdane Pasternak om kameraad Stalin terug aan de lijn te krijgen. Hij sprak al zijn contacten aan, belde dagelijks tientallen keren naar het Kremlin, verzocht keer op keer om teruggebeld te worden en bleef uren op een krukje naast de telefoon zitten in de hoop zijn eerdere uitlatingen te kunnen rectificeren. Toen na deze week wel zo’n beetje bleek dat dit geen enkele zin had en dat Joseph Stalin voorlopig ‘druk’ was met andere zaken, rende hij door de straten en langs de cafés om nu juist te verkondigen dat hij met het verdwijnen van Mandelstam niets te maken had en dat hem hiervoor geen enkele blaam trof. Ook jaren later nog zou Pasternak als het gesprek toevallig op het lot van zijn goede vriend kwam steeds hetzelfde blijven herhalen; dat het niet zijn schuld was en dat als hij geen ophef over de arrestatie zou hebben gemaakt de drie jaren die Mandelstam nog zou leven hem nooit vergund waren geweest, waardoor de “Gedichten uit Voroznev” niet zouden zijn geschreven. Uit alles echter blijkt dat hij gedurende zijn resterende leven dit telefoontje met Stalin als een vorm van verraad zou blijven zien, hetgeen misschien, wie zal het zeggen, een van de aanleidingen was voor het schrijven van dokter Zhivago.

Het verbijsterende element van deze telefoontjes zit ongetwijfeld in het feit dat er hier geen sprake is van de ‘decoratief soort’ waanzin die in het bevel van Caligula om de zee te bevechten zichtbaar wordt. Het gaat hier om een soeverein heerser die in direct contact treedt met een van zijn onderdanen om diens gedrag te bespreken, iets dat in het Rusland van de 20ste eeuw op gelijke voet staat met Goddelijke interventie en dat zich hoe dan ook volledig in de taboesfeer bevindt. De dictatoriale situatie, zo blijkt uit deze telefoontjes, biedt dus bij uitstek de kansen voor leiders om taboes te doorbreken, maar ook in de zogeheten democratische situaties vinden we merkwaardig en transgressief gedrag bij haar leiders terug. Een duidelijk voorbeeld hiervan is Richard Nixon waarvan een bandopname uit 1972 te horen geeft hoe de President van the Free and the Brave aan Henry Kissinger meedeelt: ‘Je moet nooit vergeten dat de Pers de vijand is, de Pers is de vijand, de gevestigde orde is de vijand, de professoren zijn de vijand, de professoren zijn de vijand. Schrijf dat maar 100 keer op het schoolbord.’

Ook al schijnt Henry Kissinger, ter verdediging van zijn baas’ paranoia, wel eens gezegd te hebben dat ook paranoïde mensen vijanden hebben, toch blijkt uit deze uitspraak van Nixon, maar ook uit het feit dat het Huis aan de Oever in de Verenigde Staten haar hedendaagse pendant gevonden heeft, hoe haar idealen vooral ook door haar eigen leiders en haar interne dynamiek onder vuur liggen. En het is goed hierbij in gedachten te houden dat bijvoorbeeld alles dat tussen 1933 en 1945 in Duitsland plaatshad volledig conform de toen geldende rechtsstaat was.

Wat betreft de omstandigheden voor maatschappelijke waanzin, paranoia en hysterie die tijdens dit schrijven misschien zichtbaar zouden kunnen zijn durf ik me wel aan een voorzichtige opsomming te wagen. In mijn ogen is er sprake van een militarisering van de openbare ruimte, gecombineerd met een uitholling van de rechtsstaat, als ook van het journalistieke metier en deze combinatie bleek in het verleden vaak een symptoom van een dieperliggende crisis die soms tot de ernstigste uitkomsten leidde. Een interessante studie over deze tijd zou de zaak van “Charlie Hebdo” kunnen opleveren, als daar in de toekomst eenmaal het stof wat op is neergedaald. Er ontstond in de periode vlak na deze aanslagen een klimaat waarin een ieder verondersteld werd ‘de juiste kant’ te kiezen en een gevolg daarvan was dat er in Frankrijk een jongetje van acht jaar, Achmed genaamd, gearresteerd kon worden omdat hij in de klas had verkondigd ‘niet Charlie Hebdo’ te zijn en zich zelfs de woorden ‘Ik hoor bij de terroristen’ liet ontvallen, waarna hij naar het politiebureau werd afgevoerd ter ondervraging. Deze zaak doet geenszins onder voor de voorbeelden die eerder in dit lemma werden aangehaald, al is ze niet te herleiden tot een bekende historische figuur zoals in de democratieën van deze tijd nu eenmaal vaker het geval is.

8-year-old-arrested

Translated by Tashina Blom.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s