DEEL XIX: Het verhaal over de Joodse Begraafplaats in Zeeburg that will absolutely blow your mind

53538-600-409

Weinig mensen weten dat het Flevopark de enige plek is in Amsterdam waar je een heel beperkte sensatie van ‘de verte’ kan ervaren als je er over het water staart. Toen ik afgelopen zondag richting de poort van het Flevopark liep om me in zo’n bescheiden avontuur te storten werd mijn aandacht getrokken door een schildpad die daar aan de overkant van de sloot op een tak in de vale zon heel rustig lag. Ik stond enige tijd gefascineerd naar die schildpad te kijken en begreep helemaal niet hoe zo’n exotisch dier in ons treurige klimaat kan overleven. Rondom de schildpad bevonden zich allerlei krijsende kraaien, reigers, kwakende eenden en boven in de boom zaten ook nog eens fel gekleurde papegaaien. Het geheel gaf me een surreële indruk, alsof de soorten van de aarde zich in allerlei rare combinaties aan het vermengen waren voor iets dat me nog het meest aan een afscheidsfeest deed denken. Op de grond vond ik toen een verfrommeld papiertje dat, nadat ik het ontfrommelde, te lezen gaf dat de Joodse begraafplaats, die onmiddellijk achter de schildpad begon, vanwege een grote belangstelling die dag zou worden opengesteld.

Erg open zag de poort naar de begraafplaats er niet uit, maar ik was geprikkeld door de gedachte van een vloed aan belangstellenden voor wat niet meer dan een braakliggend stuk grond leek te zijn. Misschien hadden ze zich wel verenigd om bij een of ander comité hun beklag te doen over de Joodse gewoonte om hun doden tot in het einde der tijden met rust te laten en vervolgens krachtig de toegang tot de begraafplaats geëist. Ik liep dus rond het stuk land, waarvan ik ooit ergens had gelezen dat er zo’n 175.000 lichamen in moesten liggen. Het had de lengte van anderhalf voetbalveld en was over het gehele oppervlak overwoekerd door riet waartussen hier en daar de scheve zerken waren te zien. Aan de andere kant aangekomen zag ik inderdaad een open poort waar ik voor het eerst en langzaam door naar binnen liep.

20140404_134026

Van echte drukte was geen sprake, er was in tegendeel niemand te zien. In de verte hoorde ik wel het luide geschal van een sportveld en er waren veel joggers die aan hun conditie werkten in de omgeving, maar op de begraafplaats was het op een prettige manier stil en regende het zachtjes, zoals overal op dat moment. Ik wandelde rustig tussen de zerken op het drassige weiland. Slechts een vijftigtal stonden er schots en scheef in het gras. Een veelvoud daarvan moest verborgen liggen in het drassige veenland. Ik knielde en keek naar een van deze stenen waarop de naam Ana Sharon stond die geleefd had van het jaar 5645 tot het jaar 5646 en had hierbij geen enkel duidelijk gevoel.

Toen ik opstond en op de weidse, desolate begraafplaats toch een soort van verte ervoer – een raar onschuldig soort verte die met mijn eigen bestaan op deze aarde weinig te maken had – zag ik dat achter een van de zerken iemand naar de grond gebogen op zijn knieën lag. Om hem niet te laten schrikken wachtte ik tot hij klaar was met knielen en liep toen op hem af. ‘Ik was een beetje aan het wieden’, zei de kleine man verontschuldigend toen hij me zag, zodat ik gelijk al bijna in lachen uitbarstte want wie de wildernis van de Joodse begraafplaats zag wist dat het wieden ervan meerdere levens zou vereisen. Ik stelde me voor en we spraken over de begraafplaats waarvan deze Paul de Groot de penningmeester was. ‘In 1942 hebben de rabbi’s besloten dat het vol was. Je kunt er altijd nog wel ergens eentje tussen proppen en misschien zijn de lijken in de tussentijd wel heel erg diep in het veen gezakt, maar ja zo is het nu eenmaal besloten.’

Ik vroeg mij af wat vol precies betekent voor een stuk grond waar bijna 250 jaar het ene na het andere lichaam in is verdwenen maar waarschijnlijk moest het in dat verband volstaan het jaartal van het besluit te zien en geen verdere vragen te stellen. Enigszins glimlachend vroeg ik dus maar of de penningmeester er door het jaar heen veel werk aan had want het zag er niet naar uit dat er op deze begraafplaats ooit iets gebeurde. De overheid echter, zo vertrouwde de Groot mij toe, had bedongen dat er ieder jaar toch op zijn minst iemand zou worden begraven om de grafrust, die in de Joodse traditie nu eenmaal eeuwig moet duren, te kunnen behouden.

‘Daar zijn niet veel vrijwilligers voor’, zo zei de Groot ‘en het meeste van mijn tijd gaat op aan het zoeken naar mensen die daartoe bereid zijn. Ik ben weliswaar penningmeester maar de voorzitter en de secretaris doen het ook en nog lukt het ons niet ieder jaar om iemand daarvoor te vinden. Soms vinden we wel iemand waarvan we veronderstellen dat hij zal sterven, maar hij overleeft het jaar en nog vele jaren daarna. Zoiets kan de planning helemaal in de war sturen. De rabbi moet er dan toe overgaan om in december, als het ook al koud en donker is, iemand met weinig familie hier te begraven. De overheid staat er immers op dat dit een levende begraafplaats is. Anders zouden ze er zo appartementen op zetten, u weet hoe schaars de grond in Amsterdam nu eenmaal is.’

We wandelden een stuk verder over een provisorisch pad dat over de hele lengte van de begraafplaats ging. De Groot vertelde me hoe hij een paar jaar geleden, voordat hij ooit van deze plek had gehoord, gebeld werd door een kermisbaas. ‘‘Mijn ouders hadden ooit nog bij de ouders van deze kermisbaas ondergedoken gezeten en we hebben op basis hiervan een raar soort vriendschap ontwikkeld. ‘Je moet geloof ik nu even naar de Jodenbegraafplaats komen’ had hij gezegd en wilde geen verdere toelichting geven. Ik was er nog nooit geweest, er was misschien wel in zestig jaar geen enkele Jood geweest. U moet weten dat op het Jodenmanussie, zoals deze begraafplaats in de volksmond heette alleen maar arme mensen werden begraven die de postume ponttocht naar de chique begraafplaats van Muiderberg niet konden betalen. Van die mensen waren na de oorlog praktisch geen nabestaanden meer. De volgende halve eeuw heeft niemand ernaar omgekeken. Op de luchtfoto’s van voor de oorlog is te zien dat er enorm veel houten zerken op het veld hebben gestaan en dat alles netjes was geweest. Ook daar was na de oorlog niets meer van over. De omwonenden hebben alles dat brandde opgestookt in de winter van ’44 en vernietigden zo de tekens waarmee ze de graven van hun voorouders zouden kunnen terugvinden om zelf nog enigszins voort te kunnen gaan. De Indische buurt is voor de oorlog behalve een Indische buurt vooral ook een zeer Joodse buurt geweest.’’

‘Toen ik, vervolgde de Groot, na het telefoontje van de kermisbaas, voor het eerst aankwam op de begraafplaats begreep ik waarom hij me had gebeld. Er was op dat moment een paintball gevecht bezig. Jongens van een jaar of vijftien waren elkaar aan het beschieten met verfkogels en verborgen zich achter de zerken, precies zoals vele Joden, zo werd me later verteld, zich achter de zerken hadden verborgen wanneer de Duitsers hun razzia’s hielden. Ik begreep toen wel dat hier iets gebeuren moest en heb, naar goed Nederlands gebruik, een commissie opgezet. Onze eerste daad was het zetten van hekken rond de begraafplaats. Maar de hekken voorkomen niet dat er, misschien nog wel elk weekend, jonge mensen over heen klimmen om ik weet niet wat hier te doen. Ik zie ook soms wel eens een rood-wit tentje van een man die denkt dat hij de rabbi is, maar ik ken de rabbi persoonlijk en kan u verzekeren dat hij liegt. Met dat hek hebben we op zijn minst toch gewonnen dat de mensen die er over heen klimmen weten dat ze dat eigenlijk niet mogen doen.

Pure winst dacht ik, terwijl ik op een vreemde manier verkwikt terugliep naar mijn straat. Toen ik daarbij de Insulindeweg overstak zag ik dat het asfalt tussen de tramrails was opengebarsten waardoor sigarettenpeuken en stukjes plastic daar uiterst langzaam door de aarde werden verzwolgen.

Advertisements

One thought on “DEEL XIX: Het verhaal over de Joodse Begraafplaats in Zeeburg that will absolutely blow your mind

  1. Beste Alexander,
    Met grote belangstelling las ik uw licht ironische tekst over de verwaarloosde Joodse begraafplaats. Daar is in 1917 mijn Joodse grootmoeder Sara Waagenaar-Levenson begraven, 50 jaar oud. Ik heb haar dus nooit gekend. Haar graf is onvindbaar.

    Na een leven in redelijke welstand moest zij met haar man Aaron, diamantslijper, en hun vijf jonge kinderen in 1914 uit Antwerpen terugvluchten naar Amsterdam waar hen zwarte armoede wachtte. Aaron voedde na haar dood verder in zijn eentje zijn kinderen op. In de Sjoah werden hijzelf, zijn dochter Judith en zijn zoon Sam en diens vrouw Rebecca en hun zoont je, mijn geliefde neefje Ronnie, 6 jaar oud, vergast, evenals nog 6 nabije familieleden. Van deze familie Levenson is niemand meer over.

    Ik ben de oudste dochter van de jongste dochter Esther Waagenaar, die overleefde mede dankzij haar gemengde huwelijk met Jan Pos. Dankzij het destijds goede beurzenstelsel kon ik Frans studeren, auteur worden en uiteindelijk promoveren over het thema navolging in romans en verhalen van W.F.Hermans. Hermans zelf was nog zeer te spreken over wat ik aantrof. Ik cooresponderrde daa rme them over tot aan zijn overlijden.
    Zie Sonja Pos: Dorbeck is alles! Amsterdam University Press, 2010.

    Wel, de werkelijkheid is merkwaardig…
    Sinds enige jaren bestudeer ik intensief het oeuvre van Samuel Beckett, wiens werk ik al ter sprake bracht in een lezing tijdens een conferentie in Parijs en voor de studiekring René Girard aan de VU.
    Ik zou het aardig vinden als u contact met me opnam aangezien ook ik mij al tijden zit op te winden over de barre onzin die al jarenlang over het werk van Beckett is gepubliceerd. Ik meen dat ik verschillende oorzaken daarvoor heb opgespoord waarover ik nader zal publiceren. Door een toeval ken ik het dorp Roussillon in de Vaucluse waar Beckett met zijn partner Suzanne was ondergedoken, al vele jaren goed.

    Daar ik helaas door ziekte al langere tijd aan huis geboden ben, wachtend op een nieuwe medische behandeling in 2017, kan ik tot mijn spijt niet aanwezig zijn bij de aanstaande studiedag over Beckett. Ik ben zeer benieuwd naar de bevindingen. Hartelijke groet van Sonja Pos en nog mijn dank voor de tekst over de smartelijke verwaarlozing van deze Joodse begraafplaats.
    Een vriend meldde mij dat er enige tijd geleden zelfs paarden graasden.
    Ik meen dat ik achter uw ironie uw bekommerdheid erover heb kunnen bespeuren.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s